Author: Joost Janmaat
Boekbespreking Willem Vogelsang's "The Afghans".
Kort na 11 september, de dag waarop de ogen van de wereld van Washington naar het Oosten draaiden, verscheen een standaardwerk over de geschiedenis van een land dat voorheen op weinig aandacht kon rekenen. Al was het boek al jaren in de maak, een betere timing leek niet denkbaar. Zijn boek The Afghans geeft volgens titel en omslag een standaardgeschiedenis van de volkeren in het gebied van het huidige Afghanistan. Hoe draagt zijn studie bij aan het doorgronden van de huidige situatie in Afghanistan? En hoe verhoudt het zich tot de commentaren en analyses die de auteur desgevraagd naar buiten bracht in zijn rol van home-bred Afghanistankenner in de Nederlandse media?
De auteur van dit boek, Willem Vogelsang, verbonden aan de Universiteit van Leiden, zag zich na 11 september dan ook in de rol van nationale autoriteit op het gebied van Afghanistan getrokken, en was in de weken rond het begin van de Amerikaanse aanvallen voortdurend in de media terug te vinden in een poging de dramatische actualiteit van uitleg en commentaar te voorzien.
Het voorwoord gaat geheel en al uit naar de gebeurtenissen van de elfde september, de verdachtmakingen die daarop volgden in de richting van Osama bin Laden en het land dat hem en zijn organisatie onderdak bood, en de beeldvorming met betrekking tot Afghanistan die door de media werd bepaald. Welke bijdrage levert Vogelsang nu zelf aan een beter besef van de Afghaanse geschiedenis en de mensen die er wonen?
The Afghans geeft een geschiedenis van Afghanistan, van de vroegste archeologische overblijfselen tot de recente vernietiging van de Boeddhabeelden van Bamiyan. Het verhaal is vlot geschreven en halt een aantal bijzondere weetjes naar boven. De rode draad van zijn betoog wordt gevormd door een rigide interpretatie van de 'volkeren van Afghanistan'. Na een kort hoofdstuk over de geografie van het land, beschrijft Vogelsang de etnische kleur van Afghanistan. Daarbij blijken echter de verschillende etniciteiten star als de Bergen van Afghanistan, etnische scheidslijnen snijden als rivieren door het land, alles volgens een eeuwenoud patroon dat erop ligt te wachten om in kaart te worden gebracht.
Vogelsang stelt de etnische groepen voor als de vrijwel onveranderlijke pijlers van de Afghaanse geschiedenis, nota bene aan de hand van antieke bronnen en Britskoloniale observaties. Over de Pasjtoen stelt de auteur; "They like to wear open sandals" (p. 26), en met betrekking tot de Oezbeken: "On their head they have a small turban" (p. 28) Op een zelfde wijze trad Vogelsang ook veelvuldig in de nationale media op; met aanwijsstok staande voor de kaart van Afghanistan, om de 'leefgebieden' van de verschillende volkeren te duiden. Ronduit stigmatiserend zijn zijn beweringen met betrekking tot de vijandigheid tussen 'de Pasjtoen' en 'de Hazara's'; "Die negatieve sentimenten ten opzichte van elkaar krijg je er niet meer uit" (Mare, 8 november 2001), "Dat is water en vuur" (de Volkskrant, 24 november 2001), "Die haat gaat nooit meer over" (NRC Handelsblad, 10 november 2001).
Deze aannames zijn niet alleen ahistorisch, anachronistisch en essentialistisch, maar brengen Vogelsang mijns inziens soms tot een onverantwoorde en gevaarlijke analyse van de burgeroorlog en de pogingen tot wederopbouw van Afghanistan. In Afghanistan is de etnische identiteit geen gegeven, maar een complex geconstrueerde sociale werkelijkheid. Identiteit in Afghanistan werd en wordt bepaald door verschillende vormen en gevoelens van verbondenheid. Etniciteit, in de smalste betekenis van het woord verwijzend naar een 'volk' of een gemeenschappelijke voorvader, is slechts één van de identiteitsdragers in Afghanistan, naast bijvoorbeeld taal, stam en regio. Etniciteit werd met name tijdens de expansie van de Afghaanse staat in kaart gebracht en vertaald naar politieke vertegenwoordiging. In de laatste oorlog (zeker na het wegvallen van 'islam' als 'rallying call' in de strijd tegen de Sovjets) werd zij veelvuldig misbruikt door lokale machthebbers en politieke partijen om steun te genereren. 'Etniciteit' kreeg op deze manier actief vorm en werd een politiek statement.
Wanneer Vogelsang in zijn boek vervolgens de tocht door de geschiedenis van Afghanistan begint, valt direct het enthousiasme op waarmee hij probeert persoonsnamen, namen van volken en plaatsen te herleiden tot hun oorsprong. Met zichtbaar genoegen bespreekt de auteur de eventuele gelijkenis in naamgeving tussen Griekse, Perzische en Indiase bronnen. Tegelijkertijd openbaart zich hier echter een serieuze zwakte in de beschrijving van de geschiedenis van de regio. Omdat Vogelsang zich moet verlaten op een erg beperkt aantal bronnen met betrekking tot de vroege geschiedenis van de landen van het Iraanse Plateau, ziet hij zich genoodzaakt grote verbanden te leggen tussen het beperkte aantal archeologische opgravingen, de weinige klassieke teksten, de verschillende overgeleverde geschriften en enkele materiële overblijfselen. Zo komt hij tot levendige schetsen van grootse beschavingen op basis van erg vage, schaarse historische feiten, verzameld in een gebied dat nu - buiten Afghanistan - Iran, de Centraal Aziatische republieken, Pakistan en noordwest-India zou beslaan.
Illustratief is de volgende observatie; "we know, or at least we think we know, that sometime during the first half or middle of the second millenium Indo-Iranians (and in particular Indo-Aryans) settled in, or at least passed through the lands of the BMAC [Bactria-Margiana Archaeological Complex]." (p. 73) In de generaliseringen van afzonderlijke vondsten tot cultuurdragers komt vooral een groots beeld naar voren van verschillende volkeren die door de regio trokken, zich vestigden en weer werden verjaagd. We krijgen een geschiedenis van wisselende machthebbers, zonder dat we iets te weten komen over deze 'proto-Afghanen'. Deze geschiedenis blijft iets houden van een groot schaakspel, met volkeren "sweeping, infiltrating, pouring into the lands of Afghanistan." De laatste hoofdstukken van het boek beschrijven de moeizame weg die Afghaanse heersers te gaan hadden in het opzetten, uitbreiden en consolideren van de macht van de staat in een arena waar, naast de internationale politiek van Great Game en Koude Oorlog, met name de autonomie van lokale machthebbers een terugkerend struikelblok was.
Zo komen we langzaam in de moderne tijd, en in een Afghanistan zoals dat door de meesten zal worden herkend. Vogelsang brengt keurig - hoewel uitermate beknopt en weinig analytisch - in kaart hoe de politieke verwikkelingen in de jaren zeventig van de vorige eeuw leidden tot de opkomst van communisten en islamisten. Hij beschrijft hoe de oorlog in de jaren tachtig op en neer schoof tussen de Sovjets, de Afghaanse staat en de verschillende islamistisch-nationalistische partijen. En hoe de jaren negentig werden gekenmerkt door het onvermijdelijke en definitieve verval van de Afghaanse staat, met de daarop volgende fragmentatie van het land in talloze autonome regio's. Om uiteindelijk te komen tot de opkomst van de extreem-islamistische Taliban en de marginalisatie van de partijen die zich verenigden in de Noordelijke Alliantie. De enige duidelijke lijn in het boek is de tijdslijn. Dat resulteert in een betrekkelijk willekeurige geschiedenis, die van de ene grote historische gebeurtenis of figuur naar de volgende schiet. Dit ontneemt de lezer de mogelijkheid om een zekere continuïteit te vinden, of de gegeven informatie van een historische interpretatie en bredere context te voorzien.
De minst ambitieuze taak van de historicus is toch wel het beschrijven van het verleden; vervolgens ligt er de uitdaging te zoeken naar verklaringen van het handelen, naar oorzaak, gevolg en context. In navolging van zijn klassieke bronnen en de Britse kolonialisten heeft Vogelsang met zijn boek The Afghans een harde politiek-militaire geschiedenis geschreven, voorafgegaan door een gedegen etnografische plaatsbepaling en verlucht met een aantal uiterst beeldende beschrijvingen van de materiële cultuur. De auteur lijkt te hebben geprobeerd een geschiedenis op te tekenen zonder zich daarbij iets aan te trekken van de debatten die de laatste honderd jaar in de historische en sociale wetenschappen zijn gevoerd: debatten omtrent de geschiedschrijving van de longue durée, de koloniale beeldvorming en het gebruik van lokale bronnen, de postkoloniale geschiedenis en de nationalistische geschiedschrijving, en de historisering van het concept identiteit. Vogelsang toont zich hierdoor een oriëntalistisch archeoloog die hobbyt in de historische en politieke wetenschap. Hij verzandt telkens weer in een opsomming van de belangrijkste personen en gebeurtenissen, ten koste van een beschouwing wat die voor het land en de bevolking betekenden. Om de lezer het gevoel te geven iets van 'de Afghanen' te begrijpen na lezing van dit boek, had Vogelsang de gewone man en het gewone leven wat meer naar voren kunnen halen. Zo zou bijvoorbeeld een genuanceerde behandeling van de gruwelijke oorlog van de afgelopen 23 jaar op zijn plaats zijn, zeker gezien de verwijzingen naar 11 september in het voorwoord. Maar Vogelsang gaat voorbij aan de traumatische gevolgen van deze wezenlijke episode uit de moderne Afghaanse geschiedenis.
Pas in de allerlaatste alinea van zijn boek komen de schrijnende situatie van miljoenen vluchtelingen, de extreme droogte van de laatste jaren, en de bijzonder negatieve gevolgen van de internationale sancties in beeld. Vogelsang besluit die alinea, en daarmee zijn boek, met de volgende opmerking; "The international outcry [als reactie op de vernietiging van het cultureel erfgoed door de Taliban; JJ] was deafening, but did the politicians and media ever hear the voice of the starving Afghan refugees?", waarbij ik me oprecht afvraag: Did you?
Joost Janmaat
Willem Vogelsang, The Afghans, Oxford: Blackwell, 2002, x+382 pp.,
ISBN 0-631-19841-5, £ 25,00
Deze boekbespreking verscheen eerder in Vrede en Veiligheid 31 (2002) 2